Publicatie
Column Jan van de Vooren
Vorige week ben ik met mijn lief naar de stad geweest. Na het kopen van de fabels van Jean de La Fontaine voor de verjaardag van een spruit van één van mijn vrienden, zetten we koers richting de cinema. Spektakel! Spektakel!
Helden, crapuul, één-ogen en ander gespuis in maillots vlogen van planeet naar planeet over, onder en door het witte doek. Een verongelijkte man achter me, wees mij er herhaaldelijk op dat de beelden in zijn ogen weinig reëel te noemen waren. "Zoooo, dah ken tog nooit man, ja tog!" Zijn vrouw attendeerde hem erop dat hij zijn 'bakkes' moest houden. En zo dacht de gehele zaal erover. Bij zo'n schouwspel kun je enkel 'oh's' en 'ah's' roepen.

Bijkomend van zoveel visueel geweld, sjokte we nog wat door de straten van Rotterdam. Opeens werd onze aandacht getrokken door een opmerkelijke verschijning. Op een sinaasappelkist stond een man in een krekelpak. Na enig rumoer rondom hem, begon hij een tirade:

"Hoort mij aan, gij slaven van de tijd. Mijn slaven! Ik ben Maja de bij, vleesgeworden tijd. Gij zijt vervloekt en gezegend. Gij onderworpene. Imaginaire trotter van tijd en ruimte. Bezig voedselvoorzieningen, maar mijn adem is langer. Bespot mijn uithoudingsvermogen en gij zult lijden. Zing je mooiste lied, maar mijn wraak klinkt zoeter. Achterhaal mij en gij kent de geheimen van God, Allah en Darwin. Echter... slechts voor één moment. Ik ben het monster van Loch Ness. Ik ben het spook Vincent Willems, de nooit geziene molenaar van Streefkerk.

Vertel wat je nu ziet en hoort. Vertel het door rond het kampvuur, de brandhaard van de wereld. Rust en werk, maar weet dat je dan niet in vrede gaat. Of leef, juich en spring vredig, maar weet dat die heerlijke vrije val eindig is. Besef horige van..."

Naast ons maakte een vrouw aanstalten om de figuur op de sinaasappelkist te bespugen. Een groene fluim vloog richting sinaasappelkist. Het deerde de man in het krekelpak geenszins. "Wat een rare figuren lopen er toch rond, hé" zei mijn vriendin, terwijl ze me mee trok om naar huis te gaan. Ik zag nog net dat het speeksel een gloed kreeg van alle kleuren van de regenboog, terwijl het langzaam van zijn krekelpak afdroop. In mijn tas brandde het boek met Fabels van Jean de La Fontaine. Later die avond zaten we samen aan de eettafel nog wat te keuvelen onder het genot van wijn en cashewnoot. (Oh, wat hou ik toch van cashewnootjes. Wellust ten top!) "Hoe zat dat ook al weer met die krekel en die mier?" vroeg ik haar nadenkend. "Ging de moraal nou over het nu of over het later?"

"Ik weet het niet" zei ze ongeïnteresseerd en half gapend. "Zullen we gaan slapen? Morgen moeten we weer werken."
 
Gerelateerd